Verklarende woordenlijst (alfabetisch)

Click here for the English version 
Arteriosclerose: verdikking
én verharding van de vaatwanden met gebrekkige elasticiteit als gevolg
Atherosclerose: afzetting
van vetachtig materiaal in de binnenlaag van de vaatwanden
BMI:
een maat voor het gewicht ten
opzichte van de lengte van een persoon. Gedefinieerd als het gewicht gedeeld door
het kwadraat van de lengte in meters (eenheid is kg/m2).
Overgewicht is echter niet hetzelfde als overvet. Een bodybuilder kan
bijvoorbeeld een body mass index hebben van 32, maar toch niet overvet zijn. De
hoge BMI-waarde moet dan worden toegeschreven aan het gewicht van de spiermassa.
Een aanvullende vetmeting of -schatting kan meer duidelijkheid geven over de
mate van overvet zijn. Een BMI van < 18,5=ondergewicht; 18,5 ≤ BMI ≤ 24,9 = normaal; 25 ≤ BMI ≤ 29,9 =
overgewicht; BMI ≥ 30 = obees; BMI ≥ 40= morbide obesitas (acuut sterftegevaar)
Cholesterol:
de moleculaire stof uit de groep van de sterolen, die
onderdeel zijn van de 'lipiden'. Cholesterol wordt in het lichaam
aangemaakt door processen in huid, nieren en lever. Het is een stof
die aanwezig is in de celwanden en daar de functie heeft van stabilisator van de celwand.
Anders dan de moleculaire stof cholesterol, heeft men het met betrekking tot
cholesterol in het bloed ook over "cholesterol". Het zijn dan niet de losse
moleculen die in het bloed zweven, maar het
cholesterol is dan opgenomen in
deeltjes die 'lipoproteïnen' worden genoemd. Dit zijn -op microniveau- kolossale
verzamelingen cholesterol, triglyceriden, eiwitten en fosfolipiden in de vorm
van bolletjes 4.

Links is visueel gemaakt
wat de procentuele samenstelling is van de verschillende soorten
cholesterol in het bloed: chylomicronen, VLDL, LDL en HDL. Triacylglycerol is
hetzelfde als triglyceride(n). Je ziet hoe de samenstelling van de verschillende
soorten cholesterol verandert.

Het plaatje rechts geeft
een indicatie hoe de verschillende lipoproteïnen zich in grootte tot elkaar verhouden.
CVZ:
cardiovasculaire ziekte(n)
(Engels: CVD: cardiovasculair disease(s))
Darmvilli of villi:
(microscopisch) kleine
uitsteeksels aan de binnenkant van de darmwand die voor de opname van
voedingsstoffen zorgen
Depressie: een verzameling van symptomen, waarbij centraal
staan: een verlaagde, sombere stemming, verlies van energie en initiatief,
vermoeidheid en sociaal terugtrekgedrag.
Diabetes: een groep stofwisselingsziektes, gekarakteriseerd
door verhoogde bloedsuikerwaarden en veranderde energiestofwisseling,
veroorzaakt door verstoorde insuline-afgifte, insulinewerking of een combinatie
van beide factoren. Te onderscheiden zijn diabetes type 1 (IDDM=Insulin
Dependent Diabetes Mellitus) en type 2 (NIDDM=Non-Insulin Dependent
Diabetes Mellitus). Bij diabetes type 1 verliest de alvleesklier de mogelijkheid
om insuline te synthetiseren, in type 2 wordt er wel insuline aangemaakt, maar
raken de lichaamscellen gewend aan de insuline (insuline resistentie). Dit leidt
ook tot de toestand hyperinsulinemie (abnormaal hoge insulinewaarden in het
bloed). Type 1 komt vaker voor bij jongere mensen (<20 jr) en type 2 komt meer
voor bij ouderen, hoewel en trend duidelijk is dat meer kinderen type 2
ontwikkelen.
EOV: enkelvoudig onverzadigd vet
(Engels: MUFA=Mono-Unsaturated Fatty Acid)
GI:
Glykemische Index: de mate van stijging van de
bloedsuikerspiegel die het betreffende voedingsmiddel heeft ten opzichte van
pure glucose of witbrood. Het langtijdig consumeren van voeding met een hoge GI
wordt in verband gebracht met diabetes, overgewicht en HVZ.
GL:
Glykemische lading (Engels:"Glycemic Load"):
praktisch dezelfde indicatie voor het
stijgen van bloedsuikerwaarden, maar nu inclusief kennis over de totale
hoeveelheid koolhydraten in die voeding. In formule: GL=GI x gram koolhydraten.
Glucagon: hormoon dat voor
de glycogenolyse zorgt
Glycogeen: de vorm van glucose zoals
die bij overschot door het lichaam wordt opgeslagen in de lever en de spieren.
Ook wel 'dierlijk zetmeel' genoemd.
Glycogenolyse: proces, waarbij, als
gevolg van een lage bloedsuikerwaarde, de glycogeenvoorraden worden afgebroken
om glucose in het bloed te brengen. Dit gebeurt onder invloed van het hormoon
glucagon
Hematocriet: het vaste
(niet-vloeibare) deel van het bloed
HDL:"high density lipoprotein", een lipoproteïne met een hoge
dichtheid. HDL-cholesterol wordt het goede cholesterol genoemd omdat de functie
ervan het vervoeren van cholesterol naar de lever voor afbraak is. Van de 5
identificeerbare subklassen van HDL-cholesterol hebben de drie grootste klassen
een omgekeerd evenredige relatie met HVZ, terwijl de twee kleinste klassen deze
beschermende eigenschappen niet lijken te hebben1,3
Een
hoog HDL wordt
als gunstig gezien voor de gezondheid van het cholesterol.
HVZ:
hart- en vaatziekten
(Engels: CVD: cardiovascular diseases). Vergelijk; CHD(Engels) = coronary heart
disease, oftewel coronaire hartziekten. De 'corona' is de
kransslagader. Hart- en vaatziekten
zijn onder te verdelen in (indeling volgens het RIVM, (5)):
1)
coronaire hartziekten
(CHZ), die worden onderverdeeld in hartinfarct (acuut) (=myocardinfarct
(MI)) en
angina pectoris (pijn op de
borst, kortdurend, chronisch). Bij angina pectoris is er
sprake van een tijdelijk tekort van zuurstof- cq
bloedtoevoer naar de hartspier
2)
hartfalen,
3)beroerte
ofwel cerebrovasculair accident
(CVA); onder te
verdelen in hersenbloeding
(gescheurd bloedvat) of herseninfarct (afsluiting van een bloedvat)
4)
aneurysma van de
buikslagader (plaatselijke verwijding v/d slagader)
Dit is een greep uit de
meest voorkomend hart- en vaatziekten. Verder vallen o.a. te
noemen: etalagebenen (claudicatio intermittens,
atherosclerose, hartfalen (pompfalen) en hartklepaandoening
(6).
Cholesterol
verlagen is een van de meest geadviseerde ingrepen om het risico op HVZ te
verkleinen.
Incidentie:
het aantal nieuwe (ziekte)gevallen per jaar, meestal uitgedrukt in 1000 of 100.000
personen
Insuline: hormoon dat de opname van
glucose in een lichaamscel mogelijk maakt door koppeling aan een eiwit op het
celmembraan
LDL:"low density lipoprotein", een lipoproteïne (samenstelling
van lipo=vet en proteïne=eiwit) met een lage dichtheid. LDL is één van de vormen
van cholesterol en wordt vaak het "slechte cholesterol" genoemd.
Recentelijk weer, maar reeds eind negentiger jaren heeft men claims voor LDL-cholesterol door
baanbrekend onderzoek verder genuanceerd: fenotype A en B. Type B is kleiner dan
type A en heeft ontstekingsbevorderende eigenschappen. Het is in staat om zich
in reeds bestaande atherosclerotische afzettingen te boren en daar ontstekingen
te veroorzaken en de vaatvernauwing te vergroten. Opmerkelijk is dat in diëten met >
60 energie % vet en < 25 energie % koolhydraten, het aandeel LDL type B 0 % is.
(zie plaatje hieronder voor korte schets)2. LDL-cholesterol ontstaat
in het lichaam uit VLDL (=Very Low Density Lipoprotein). Cellen nemen
triglyceriden weg uit het VLDL-deeltje, waardoor een deeltje overblijft met
relatief veel cholesterol. Dit is LDL-cholesterol4.

Lipiden:
vetachtige
stoffen, waartoe o.a. behoren: triglyceriden, sterolen en fosfolipiden
MCSFA: medium chain
saturated fatty acids: middellangketenige verzadigde vetzuren. Zij worden direct door
het lichaam gebruikt als energiebron, verhogen de stofwisseling, hebben een
positieve invloed op cholesterolwaarden en verbeteren de insulinegevoeligheid
Metabolisme: andere benaming voor
stofwisseling: de verwerking van voeding in en door het lichaam in verschillende
stappen
Metaboliet: stof
welke
ontstaat na metabolisme van een grondstof, bv glucose is een metaboliet van
zetmeel
Myocardinfarct
(MI):
hartaanval als gevolg van een bloedklonter die leidt tot afsluiting van de
kransslagader en het afsterven van de hartspier (Engels: myocardial infarct)
MOV: meervoudig onverzadigd vet
(Engels:PUFA=Poly Unsaturated Fatty Acid)
Obesitas: ernstig overgewicht met een BMI van
≥ 30
Ondergewicht: met een BMI < 18.5
Ontsteking (inflammatie):
plaatselijk
verschijnsel dat optreedt door het binnendringen in het
lichaam van fysische, chemische of toxinevormende
microbiologische schadelijkheden, resulterend in
celbeschadiging, vaatverwijding, oedeem- en exsudaatvorming
(vochtophoping respectievelijk vochtuittreding) e.d.
Overgewicht:
met een BMI van 25.0 t/m 29.9
(onder een normale BMI voor volwassenen wordt verstaan een
BMI van 18.5 tot en met 24.9)
Peptide: eiwit
Plasma: het vloeibare
component van (menselijk) bloed waarin stoffen opgelost zijn, tegenover
Hematocriet
Polypeptide: eiwit,
opgebouwd uit meerdere (meestal > 3) aminozuren (dipeptide=eiwit, opgebouwd
uit 2 aminozuren)
Prevalentie:
het aantal gevallen per 1000 of 100.000 op een specifiek moment of in een
periode (meestal een jaar)
Proteïne: eiwit
Randomized
Controlled Trial (RCT): een onderzoeksopzet waarbij de
onderzoekspopulatie "at random" (willekeurig) is
ingedeeld, en sprake is van blindering door bv
placebocontrole. Dit soort onderzoeken is de "gouden standaard" van alle
wetenschappelijk onderzoek, omdat de vertaalbaarheid naar niet-experimentele
omstandigheden (namelijk de bevolking, "mensen") het grootst is. Dit komt omdat
in RCT's op een methodische wijze wordt afgerekend met zogeheten "confounders",
ofwel invloeden die de meetresultaten onnauwkeurig maken. Een veelgebruikt en
gehoorde term is dan ook het "dubbelblinde,
placebogecontroleerde onderzoek". Dit wil niets meer zeggen dan dat
nóch de onderzoekers weten of zij het werkzame medicijn (of voedingsmiddel, of
vitamine etc) of de placebo geven, nóch de onderzochten weten of zij tot de groep met
bijvoorbeeld het werkzame medicijn of het nepmedicijn behoren. Zo kan dus
de mate van psychologische beïnvloeding nog verder uitgesloten worden en wordt
het onderzoek betrouwbaarder, of, om in statistische termen te spreken: meer
valide.
Serum: plasma, waaruit
het stollingseiwit fibrinogeen is verwijderd zodat
geen stolling meer kan optreden
Significant: term uit de
statistiek. Een significante relatie wil zeggen dat de kans zich onderscheidt
van het toeval, met andere woorden: er is iets bijzonders aan de hand en niet
slechts iets dat met toeval heeft te maken. 'Betekenisvol'. Overigens kan de
grens waarbij men beslist of een onderzoeksuitkomst wel of
niet significant is (de alfa, symbool α ) min of meer
vrijwillig kiezen. Zo kan men bvb kiezen α=1%, 2%, 5% of
10%. Gangbaar is 5%. Dus dan worden alle verbanden, alle
uitkomsten die binnen die 5% vallen als betekenisvol, als
significant gezien.
Hoe meet
je of iets echt 'significant' is of niet? Als de
onderzoeker een α van 2% kiest en er komt geen
significante waarde uit, omdat de gemeten waarde bvb
3% is dan lijkt het onderzoek uit te wijzen dat er
geen statistisch significante waarde uitkomt. Kiest
de onderzoeker echter vervolgens een α van 5%, dan
wordt de uitkomst plotseling wél statistisch
significant, want nu valt het gemeten percentage
(bvb 'zieken als gevolg van bepaald
medicijngebruik') wél binnen de alfa. Zo zie je maar
weer dat zelfs de harde wetenschap kan
fluctueren...Dit zou vragen kunnen oproepen in
hoeverre de wetenschap nou wel zo'n harde,
objectieve tak van sport is.
Als uit
een onderzoek een verband komt met een kans van
0,000000001% dat het verband
niet
gevonden zou worden, dan wordt het al zekerder dat
er sprake is van een sterk verband: het kan bijna
geen toeval meer zijn wat hier wordt gevonden. Bijna niet, want het kán wel toeval zijn en
daarom kun je nooit volstrekt zeker zijn.
Uiteindelijk geeft wetenschap (helaas?) geen
absolute zekerheden, omdat altijd de aanname wordt
gedaan dat er bijna geen sprake van toeval meer kan
zijn als de onderzoeksuitkomst significant is, maar
deze aanname is niet waterdicht...
Triglyceride: verbinding van glycerol
met 3 vetzuren. Ook genaamd triacylglycerol
(Engels: TAG of TG). Risicofactor voor HVZ.
Validiteit: een term uit de
statistiek die de vraag beantwoordt:"Meet men wat men bedoelt te meten?"
Bronnen
-
Hickey, JT, Hickey, L, Yancy, WS et
al. Clinical Use of a Carbohydrate-Restricted Diet to Treat the
Dyslipidemia of the Metabolic Syndrome," Metabolic Syndrome and Related
Disorders, 2004, 1(3), pag. 227-232.
-
Dreon DM, Fernstrom HA, Williams PT, Krauss RM.
A
very low-fat diet is not associated with improved lipoprotein profiles in
men with a predominance of large, low-density lipoproteins,
Am J Clin Nutr. 1999 Mar;69(3):411-8
-
Freedman DS et al.
Relation of lipoprotein subclasses as measured by
Proton Nuclear Magnetic Resonance Spectroscopy to coronary artery disease.
Arteriosler Thromb Vasc Biol. 1998;18:1046-1053
-
"Understanding
normal and clinical nutrition", Whitney, E.N. et al, 6e editie 2002,
Wadsworth, p. 142-143
-
www.rivm.nl (21-7-2006)
-
www.hartstichting.nl (21-7-2006)